Ton Lutz: Biografie - Een toneelstudent in de onderduik

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Logo eenlevenlangtheater2.jpg


Ton Lutz. Foto: F.L. Lemaire/MAI. Collectie TIN.


Eenlevenlangtheater Ton Lutz:

Een toneelstudent in de onderdak

Aan Ton Lutz’ toneelopleiding aan de Amsterdamse Toneelschool kwam in 1944 plotseling een einde. Hij was al eerder eventjes van school en uit Amsterdam weg geweest, omdat een politiebeambte die vroeger in Delft met een van zijn broers bevriend was geweest, hem waarschuwde dat hij op de nominatie stond om gearresteerd te worden. Jaren later hoorde Lutz dat het destijds om een deserteur met dezelfde naam was gegaan, maar op dat moment was de dreiging dermate groot dat het hem in Amsterdam te heet onder de voeten werd en hij een tijdje onderdook.

Voorbeeld van een vals persoonsbewijs. Bron: website Verzetsmuseum Amsterdam.

Begin 1944 deed zich voor de jonge Lutz opnieuw de noodzaak voor om onzichtbaar te worden, en nu voor langere tijd. Als bijbaantje tijdens zijn studie werkte hij in Delft als hulpambtenaar en in die hoedanigheid hield hij zich onder andere bezig met het verstrekken van persoonsbewijzen. Een aantal malen heeft hij – met medeweten van een ‘goede’ ambtenaar, die hem gegevens verstrekte van overledenen – persoonsbewijzen gestolen om die aan onderduikers te geven. Die onderduikers moesten de personalia van de overledenen uit hun hoofd leren en namen op die manier een andere identiteit aan. Zo ook een ondergedoken joods echtpaar die Lutz’ buren waren toen hij een poosje een zolderkamer in de Amsterdamse Helmersstraat bewoonde. Die vervalste persoonsbewijzen konden echter niet voorkomen dat het stel tijdens een razzia door de mand viel en werd opgepakt. Tijdens het verhoor werd gesproken over een ‘jongen op de toneelschool’ en zo kon het gebeuren dat Lutz op school werd opgehaald door SS’ers, die hem meenamen naar het hoofdkwartier in Den Haag, waar hij werd verhoord:

"Ik heb het zo kunnen draaien dat ik op een gegeven moment mijn bril afdeed en zei: "Hören Sie mal: ich bin Schauspielstudent. Ich kan jetzt weinen wenn ich das will, aber ich brauche das nicht – ich habe nichts damit zu tun!" Ik sloeg de tafel zowat in tweeën. Toen pakte de man die mij verhoorde de telefoon en zei: "Fraulein, machen Sie eine Reisedeklaration zweite Klasse nach Amsterdam für Herrn Lutz." En toen kon ik weg!"

Martinitoren in Groningen.

Na zijn vrijlating ging Lutz meteen naar Amsterdam om zijn spullen op te halen en vervolgens definitief uit de hoofdstad te verdwijnen, met de nachtboot richting Groningen. Opvallend genoeg verhuisde zijn toelage van het Fonds voor Bijzondere Noden met hem mee: Ferd Sterneberg gaf hem het adres van een kapelaan aan de Groningse Radesingel, die hem vanaf dat moment zijn maandelijkse toelage uitreikte. Ondanks de beperkingen die het onderduikerschap met zich meebracht, kwam hij daar al snel terecht in artistieke kringen, waar hij kennismaakte met jonge kunstenaars als de dichter Ab Visser en de dichter-schilder-tekenaar Hendrik de Vries. Dit milieu paste hem, zelf jong kunstenaar, als een handschoen, en het mag niet verbazen dat Lutz zelfs in Groningen een vorm wist te vinden om zijn kunstenaarschap uit te leven. Hij begon in verduisterde huiskamers voordrachtsavonden te geven, met pianobegeleiding van Ina Kranenborg, de dochter van het gezin dat hem in het noorden een veilige haven bood. Zij was pianostudente aan het Conservatorium en Lutz had intussen een verhouding met haar gekregen. In 1947 zou zij zijn eerste vrouw worden, maar in die donkere oorlogsjaren werd niet aan een huwelijk gedacht – zeker niet toen Lutz naar aanleiding van zo’n clandestiene voordrachtsavond van zijn bed werd gelicht en gearresteerd. Hij werd opgesloten in de gevangenis aan de Groningse Herenweg, waar hij een cel deelde met een aantal anderen. Na de bevrijding van Groningen op 16 april 1945 was Lutz de enige van zijn celgenoten die de gevangenis levend verliet.

Een boek van Ab Visser. Bron: website moorsmagazine.nl

Wanneer hij daaraan terugdenkt emotioneert hem dat nog steeds en de ontmoetingen met nabestaanden van zijn celgenoten, jaren na de bevrijding, staan Lutz in het geheugen gegrift. Toen hij in 1990 bijvoorbeeld de hoofdrol speelde in Henry IV van Shakespeare deed hij tijdens de tournee het noorden van het land aan. Even daarvoor had hij een brief gekregen van de zoon van een van zijn celgenoten, die pas vijf jaar oud was toen zijn vader door de Duitsers werd vermoord. Hij wilde graag eens met Lutz praten over de tijd die hij samen met zijn vader in de gevangenis had doorgebracht. Lutz nodigde hem uit om de voorstelling in Groningen bij te wonen – daarna zou er gelegenheid zijn voor een gesprek. Het werd een moeilijke voorstelling, omdat Lutz zich bij aanvang ineens realiseerde dat zijn monoloog over de Rozenoorlog waarschijnlijk diepe indruk op zijn gast zou maken:

"Ik kon níet beginnen...Ik kneep de nagels in mijn vel en ik dacht: dit duurt al tien minuten! In mijn verbeelding was de zaal al roezig, maar dat was niet zo. Het was misschien tien seconden, maar je bent elk gevoel voor tijd en ruimte kwijt. Toen heb ik me beheerst en ben gaan spelen. En ik weet niet of het mooi of lelijk was: [...] ik denk dat er een emotie meespeelde vanaf dat eerste moment, die niet helemaal van het theater was... Werkelijkheid en theater gingen helemaal samen. Na de voorstelling ging ik naar die mensen toe en die man had tranen in zijn ogen, dus ik vroeg: "Vond u het mooi? Ja, dat kan ik zien: u heeft er tranen van in uw ogen." Die man zegt: "Ik heb niks van het hele stuk gezien en niks van het stuk begrepen: ik heb alleen maar gekeken naar de man die bij mijn vader in de cel heeft gezeten!"

In tegenstelling tot de velen die minder fortuinlijk waren, kon Ton Lutz na de bevrijding van het noorden de draad van zijn leven weer oppakken. Maar hij keerde terug naar Delft en heeft zijn opleiding aan de Amsterdamse Toneelschool nooit afgemaakt. Er deden zich andere kansen voor...


Bron: tekst grotendeels overgenomen uit het boek Ton Lutz. De toneelvader des vaderlands van Xandra Knebel (Theater Instituut Nederland 2007).