Stadsschouwburg Amsterdam (1774-1890)

Uit TheaterEncyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Stadsschouwburg Amsterdam (1774-1890); Achtereenvolgens bekend als:

  • Nederduitsche Schouwburg (1774-1795)
  • Amsterdamsche Nationale Stadsschouwburg (1795-1807)
  • Koninklijke Hollandsche Schouwburg (1807-1810)
  • Stadsschouwburg (Houten kast) (1861-1890)

Bouwgegevens Stadsschouwburg Amsterdam (1774-1890)

  • Adres: Leidseplein, Amsterdam
  • Bouwjaar: 1774
  • Architect: Jacob Eduard de Witte, stadsbouwmeester
  • Opdrachtgever: Stadsbestuur van Amsterdam
  • Oorspronkelijk gebouwd als: Schouwburg
  • Opening als theater: 15 september 1774 (besloten voorstelling voor genodigden); 17 september 1774 (publiek)
  • Openingsvoorstelling: Inwijding van den Amsterdamschen Schouwburg, tekst en muziek van Bartholomeus Ruloffs; Jacob Simonsz de Ryk, treurspel van Lucretia Wilhelmina van Winter-van Merken

Verbouwing

1783: Bouw twee loges op zaalniveau

1790: Bouw derde balkon; staanplaatsen achter de bak vervangen door zitplaatsen; inrichting artiestenloge (rechts, avant-scène)

1822: Vernieuwing toneelvloer, zinkluiken en ‘onder-machinerie’

1859: Installatie gasverlichting

1872-1874: Aanbrengen stenen ombouw aan buitenkant; toevoeging foyer en vergaderzaal/kantoren op eerste verdieping en daarboven bibliotheek en archiefruimte; uitbouw (oostkant) met koffiekamer en toegang tot koninklijke loge; bouw trappen naar parterre en eerste/tweede balkon; kleedkamers, magazijnen enz. (westzijde)

Architect: 1872-1874: B. de Greef, J. Springer en W. Springer

Capaciteit: 1774: 794 ; 1790: 970

Balkons: 1774: 2 ; 1790: 3

Loges: 1774: 8 zaalloges, 17 loges op 1e balkon ; 1783: 10 zaalloges, 17 loges op 1e balkon

Type toneel: Lijsttoneel

Maten toneelopening: 10,72 meter breed, 9,07 meter hoog

Maten toneel: 20,62 meter breed, 21,17 meter diep

Orkestbak: Ja

Soort voorstellingen: Toneel, opera, pantomime, dans

Geschiedenis Stadsschouwburg Amsterdam (1774-1890)

Zicht op de Stadsschouwburg, door de Leidschepoort. Aan de binnenkant van de poort zijn affiches opgehangen. Boekillustratie door E. Maaskamp, begin 19de eeuw.
Nadat de schouwburg op de Keizersgracht in 1772 door brand was verwoest, besloot de Amsterdamse vroedschap op 8 april 1773 tot de bouw van een nieuwe schouwburg. Daarvoor werd een terrein aan de rand van de stad aangewezen, direct achter de Leidsepoort, dat bestemd was voor het parkeren van karren en het overladen van vracht. Op 19 april begon men met het grondwerk en op 17 mei 1773 werd de eerste steen gelegd. Tegenover de bouwplaats werd een tijdelijke schouwburg ingericht (zie: Hulpschouwburg). Naar goed Amsterdams gebruik werd eerst een commissie benoemd die moest bepalen of de nieuwe schouwburg van hout of van steen moest zijn. Uiteindelijk viel de keus op de goedkoopste oplossing: een houten gebouw met een stenen voetmuur. Al spoedig bleek dat de af- en aanrijdende koetsen en karren, en vooral de klok op de nabije Leidsepoort voor geluidsoverlast zouden zorgen. Om dit te verhelpen besloot men dubbele buitenmuren te maken en de tussenruimte op te vullen met zaagsel en houtafval. In de volksmond heette de schouwburg al gauw ‘de houten kast’ of ‘houten loods’.

Bij de beschrijvingen van de diverse verbouwingen zijn de benamingen voor loge, balkon, balkonloge, bak, gaanderij, schelling en amfitheater niet consequent gebruikt. Het is daardoor vrij moeilijk te bepalen wanneer de verschillende uitbreidingen en veranderingen hebben plaatsgevonden. Op een tekening uit omstreeks 1817 is te zien dat het in 1790 toegevoegde derde balkon een onesthetische ingreep was. Het balkon is duidelijk opgehangen aan de dakconstructie. De zichtlijnen moeten abominabel geweest zijn.

Onder meer naar aanleiding van enkele grote schouwburgbranden elders in Europa en om het uiterlijk van het gebouw te verfraaien, werd de schouwburg tussen 1872 en 1874 voorzien van een stenen ommanteling. Hierbij kreeg de zuidgevel, aan de Leidseplein-kant, een vooruitspringend gedeelte met op straatniveau een doorrit voor rijtuigen. Aan de oostelijke zijgevel kwam ook een uitbouw, met op de begane grond een vestibule met een koffiekamer en een toegang tot de koninklijke (vroeger regenten-) loge op het eerste balkon. Bij deze verbouwing bleef het interieur vrijwel gelijk. Het hek tussen de zitplaatsen in de bak en de staanplaatsen was reeds lang verwijderd. Ook waren de banken vervangen door individuele zitplaatsen. De zaal had een stenen vloer. De capaciteit van de toneelzaal is lastig te bepalen. In sommige bronnen is sprake van 1600 plaatsen in 1775, maar bestudering van de beschikbare plattegronden uit dat jaar leert dat dit zeer onwaarschijnlijk is. Inclusief de staanplaatsen en een amfitheater op het tweede balkon komt een ruime schatting niet verder dan 794. Na 1790, toen een derde balkon met amfitheater werd aangebracht, kon men daar nog 176 plaatsen bij optellen. Tevens werden toen de staanplaatsen achter de bak vervangen door amfitheatersgewijs oplopende zitplaatsen. Dit zal niet méér plaatsen opgeleverd hebben, zodat we uiteindelijk uitkomen op een capaciteit, vanaf 1800, van 970 plaatsen. De houten kast aan het Leidseplein brandde af in 1890.

Brand van de Schouwburg aan het Leidseplein. Aquarel door J.M.A. Rieke, 1890.

Na de brand werd een nieuwe schouwburg gebouwd. Zie hiervoor: Stadsschouwburg, Amsterdam

Interieur

"Een loodje voor de bak": Christiaan Andriessen koopt een kaartje ("loodje") voor de parterre bij het loket vóór de schouwburg. Tekening in o.i. inkt en waterverf door Christiaan Andriessen. Interieur van de Stadsschouwburg (Houten Kast) te Amsterdam, met een scène uit Gijsbreght van Aemstel. Aquatint, ingekleurd, 1817.

Via de entree aan het Leidseplein (toegangskaartjes kocht men in een hokje vóór de schouwburg) kwam men in het ‘Grote Voorportaal’. Links in dit portaal voerde een trap naar het toneel. In het midden was de toegang naar de plaatsen vóór in de zaal; rechts een trap naar het eerste balkon. Direct naast deze toegang was in de zaal het stovenhok, waar men een stoof kon huren. Voor het publiek in de zaalloges (vier links, vier rechts) en in de bak was er rechts in het portaal een koffiekamer.

Via een ingang tegenover de kop van de Leidsestraat had men toegang tot het tweede en (later) derde balkon. Aan deze zijde was ook – op de eerste verdieping – de koffiekamer voor het publiek op deze rangen.

Publiek tijdens de voorstelling in de Schouwburgloge. ca. 1980. Collectie TIN.
Bij de opening in 1774 had de schouwburgzaal twee balkons, in de bak achttien rijen banken met daarachter de staanplaatsen, en acht loges op zaalniveau. Er was een – niet verdiepte – orkestbak. De verlichting geschiedde grotendeels met behulp van kaarsen, waarvan er 80 à 85 per avond werden verbruikt. Het zaalplafond was versierd met geschilderde guirlandes in Louis XV-stijl. Er hing geen zaalkroon, maar in het midden van het plafond bevond zich een ventilatierooster dat naar behoeven geopend of gesloten kon worden. Op het voorgordijn stond Apollo afgebeeld op de Parnassus omringd door de zanggodinnen en daaronder een vers: Der kunsten God aan ’t Y, met geestdrift aan gebeën / Kroont hier in ’t heilig koor verdienste en deugd alleen. Hierbij het wapen van Amsterdam en de bijenkorf – al sinds de Academie van Coster (zie aldaar) het zinnebeeld van de schouwburg – geflankeerd door Mercurius en Neptunus.

Links en rechts van de toneelopening stond een stel Korinthische zuilen, waartussen de beelden van Melpomene en Thalia. Deze zuilen steunden een toog versierd met cassettes. Het voetlicht bestond uit zogeheten smeerkokers – potten raapolie – in lichtbakken die men met behulp van katrollen kon laten zakken of ophalen.

Exterieur

Stadsschouwburg Amsterdam 1774-1890 337374.jpg Stadsschouwburg Amsterdam 1774-1890 337382.jpg

Links: De "Houten Kast", de Stadsschouwbug ca. 1860. Rechts: De Stadsschouwburg met de stenen ombouw, 1888. Fotograaf onbekend. Collectie TIN.

Stadsschouwburg Amsterdam 1774-1890 337391.jpg Stadsschouwburg Amsterdam 1774-1890 337390.jpg

Links: Menigte bij de stadsschouwburg te Amsterdam voor de begrafenisstoet van Maria Johanna Kleine-Gartman, 1885. Rechts: De stadsschouwburg (rechts), vóór de brand van 1890. Fotograaf onbekend. Collectie TIN.

Het houten gebouw van 1774 mat 45 bij 22,75 meter, was 11 meter hoog en had een stenen voetmuur van ongeveer 90 centimeter. De hoeken waren gedecoreerd met Ionische pilasters. Aan de oost- en westgevel was een medaillon met daarin afgebeeld de bijenkorf, vastgehouden door een oude man en een weesmeisje. De man en het meisje verbeeldden de twee godshuizen (het Burgerweeshuis en het Oudemannenhuis) die volgens oud gebruik al gesubsidieerd werden uit de schouwburginkomsten. Aan de voorgevel, aan de kant van het Leidseplein, werd het uitspringende deel bekroond met een timpaan met daarin de kop van Apollo, omringd door zes putti. Voor- en zijgevel waren bekroond met een balustrade met op de hoeken ‘antieke’ vazen. De achtergevel was, op een nooddeur na, een blinde muur.

Bronnen

  • Theaters in Nederland sinds de zeventiende eeuw. Redactie Bob Logger, Eric Alexander, Menso Carpentier Alting, Nico van der Krogt, Nathalie Wevers. Theater Instituut Nederland, 2007

Schrijf mee!

Wilt u deze pagina bewerken, corrigeren of aanvullen?

Iedereen kan eenvoudig meeschrijven aan de theatergeschiedenis op de Theaterencyclopedie. Hiervoor moet u ingelogd zijn op uw eigen account. Door eenmalig te registreren maakt u een eigen account aan. Helpt u mee de Theaterencyclopedie compleet te maken?

Fondsen en Partners